Belevenis van Hans Schouten

The first KNILM flight to the airfield Oelin near Bandjermasin, Kalimantan

foto: wikipedia

Ik ben Hans Schouten, geboren in 1938 op 18 februari in Batavia. Mijn vader was reserve officier bij het KNILM. De luchtmachtafdeling van het KNIL. Ik kan me hem eigenlijk niet herinneren. Alleen van de foto’s weet ik hoe hij eruitzag en uiteraard hoorde ik wel het een en ander van mijn oudere broer en zus. Wel weet ik nog goed dat mijn broer met andere jongens naar een jongenskamp werd overgeplaatst. Mijn eerste herinneringen gaan terug tot in het kamp Grogol even buiten Batavia. Ik herinner mij nog het begin van de regentijd waarbij het hele kamp onder water kwam te staan. Het was daarop gebouwd en was een inrichting waar oorspronkelijk geestelijk gehandicapten werden verpleegd. Alle gebouwen waren een stuk boven het maaiveld gebouwd en verbonden met overdekte gangen op dezelfde hoogte. Van daaruit werden we overgebracht naar kamp Tjideng. Het transport gebeurde met een trein. De overbekende beelden van de treinen die de joden naar Duitsland vervoerden om daar vergast te worden roepen bij mij diezelfde beelden op die ik mij herinner van ons transport naar Tjideng. Volgepropte wagons met mensen en kinderen. Wij werden ondergebracht in een reeds volgepropt huis aan de Laan Trevelli ( blok 3). Doordat ik zeer ernstig ziek werd kwam ik in het ziekenhuis terecht, waar het zo slecht met mij ging dat ik als bijna dood in het sterfzaaltje werd gelegd. Gelukkig werkte mijn zus daar als verpleegster. Zij is toen ze mij daar ontdekte naar mijn moeder gerend, die mij toen heeft ontvoerd uit het ziekenhuis met de gedachte dat ik beter in heer armen kon doodgaan dan daar. Wonder boven wonder werd ik toch weer beter en door allerlei bijvoedingen in de vorm van ondermeer kattensoep kon ik verder leven. De beruchte koempoelans onder Sonei herinner ik mij maar al te goed evenals zijn woedeaanvallen bij volle maan en de vele mishanelingen en martelingen van onze lotgenoten staan mij nog goed voor ogen zeker als je ze zelf hebt gezien.

De kamer waarin wij werden ondergebracht was al tjokvol toe wij er kwamen. De konden alleen naar buiten door een tot de grond toe uitgehakt raam waar wij mochten liggen.

De mededeling dat Japan had gecapituleerd en de oorlog was afgelopen was voor ons geen reden om de juichen. Dat werd ons dan ook meteen medegedeeld. We mochten op geen enkele manier laten blijken dat wij blij waren. De poorten van het kamp gingen wel open maar wij mochten in feite die poort niet uit. De indische opstandelingen, pemuda’s, zouden voor ons een doodsbedreiging zijn. Na een tijdje kwam mijn broer weer terug. Hij had in een jongenskamp ver van Tjideng gezeten en was direct op zoek gegaan naar ons. De hele reis had hij al lopend en vragend afgelegd. Ook kwam een officieer van het rode kruis mijn moeder vertellen dat mijn vader in het begin van de oorlog was gestorven door ziekte en uitputting. Hij ligt op Java op Metengpulu begraven. Het bericht van de dood van mijn vader is voor mijn moeder een nekslag geweest. Ook mij verdriet was niet te beschrijven. Steeds kreeg ik als kind te horen “als de oorlog over is en vader weer thuiskom dan….. Ieder jaar krijgen wij een foto van zijn graf. Wij werden intussen overgebracht naar een ander huis waar wij met ons viertjes een kamer voor onszelf kregen. EE grote luxe.

Ook daar was het geen pretje. Buiten op straat spelen was te gevaarlijk en ’s nachts moesten we onder ons bed slapen i.v.m. eventuele kokels van de pemuda’s, die door de ramen naar binnen vlogen, te ontlopen.

Gelukkig konden we met de eerste boot de beste terug naar Holland met de Nieuw-Amsterdam. Ook dat was geen luxe cruise. Ik voel nog steeds die hangmat waarin ik de nachten moest doorbrengen. Ik ben er wat keren uitgevallen. Zo’n ding is voor mij een fobie geworden.

Dat wij in Holand als paria’s werden ontvangen en behandeld kwam ons als een pot zout die in onze wonden werd gewreven over. Als jochie van acht jaar mocht ik de eerste winter niet naar school. Ik moest maar een jaartje buiten spelen in de duinen van de Haagse Vogelwijk. Als jongetje van negen jaar mocht ik uiteindelijk naar de eerste klas van de lagere school. Dat ik gedurende mijn lagere schooltijd heel veel werd gepest lag gewoon voor de hand. Ik bleef een vreemde eend die in de oorlog gevangen had gezeten, een weeskind wat heel erg arm was. Ook dat heb ik uiteindelijk overleefd. Ach, nu ben ik gelukkig, alleen jammer dat je niet over je verleden mag praten. Het is me altijd verboden.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*