Mijn belevenissen in het Tjidengkamp

belevenissen tjideng kamp

Op 10 mei 1945 werden wij, mijn moeder, zus en ik getransporteerd van Bandoeng (het Tjihapitkamp) naar het Tjidengkamp in Batavia. Je kunt wel zeggen dat we van de regen in de drup kwamen. Dit kamp was zeer slecht. Het was overbevolkt. De hygiënische toestanden waren ronduit slecht en het was er snikheet. Bovendien had dit kamp een commandant, Sonei, die zeer wreed was tegenover de vrouwen in dit kamp. In Bandoeng was het klimaat heerlijk vergeleken bij Batavia. Deze plaats lag in de bergen en de temperatuur was daar aangenaam vergeleken bij de hoofdstad.

De treinreis kan ik me nog goed herinneren. We werden in gesloten goederenwagons vervoerd. Dat gebeurde ’s nachts. Waarschijnlijk om aanvallen van vijandelijke vliegtuigen tegen te gaan. We kwamen rond het middaguur aan in Batavia. We moesten op een snikheet plein enkele uren in de brandend hete zon wachten op vervoer naar het Tjidengkamp. We kwamen terecht in de straat die Kapoeasweg heette en lag achter de Laan Trivelli. Wij woonden op nummer 11. In mijn kinderogen een groot huis, met drie kamers op de benedenverdieping en goedangs aan de zij- en achterkant. De linkerkamer was de grootste en besloeg de helft van het huis. De rechterkant was in tweeën verdeeld en wij werden ondergebracht in de voorkamer, met een terras (platje) aan de voorkant. Over dit terras kon een zonnescherm worden uitgerold. Toen we aankwamen hadden we honger. Er stond voor de mensen in de voorkamer een emmer met rijst klaar op het terras. Maar toen ik goed keek kropen er beestjes, maden, doorheen. Ik weet niet of ik ervan gegeten heb. Het stond me wel tegen. In de loop van de tijd raakte de wc verstopt. Er werd toen een hokje getimmerd aan de rechterzijkant van het huis, dat met gordijnen afgesloten was. Als je een grote boodschap moest doen, nam je po mee naar dat hokje en erna leegde je de inhoud in de put aan de straat. Ik weet nog dat ik het daar best wel leuk vond, want er stond een boom vlak achter de nood-wc en die liet allerlei zaadjes of uitgebloeide bloemetjes vallen waar ik dan mee speelde. Achter in de goedang woonde mevrouw Gabriëlse met haar dochter, die geloof ik Marie heette. Zij kon heel goed tekenen en van haar heeft mijn moeder twee tekeningen gekocht of gekregen, die nog steeds in mijn bezit zijn (ze worden hierbij afgedrukt). In onze voorkamer lagen we met z’n tienen op de grond op onze bultzakken. Er was een moeder met twee dochters, waarvan de ene Marjolein heette. En nog een ander gezin met drie kinderen, waarvan de jongste Fokko heette.

Wat deed ik zo’n dag ? De dag begon met appèl. We moesten allemaal naar de Laan Trivelli komen, waar de vrouwen en kinderen in blokken werden opgesteld. Hoe lang we daar moesten staan weet ik niet, maar het was lang, want ik kreeg er een hekel aan dat we zo lang moesten wachten en ik verveelde me maar. Dan klonk er ineens een commando: “Kirie!” en dan moesten we buigen. De kampcommandant liep dan met zijn assistent langs. Dikke vetzakken met hun neus hooghartig in de lucht. Wij moesten voor hen buigen, maar eigenlijk was dat bestemd voor de Japanse keizer Hirohito.

belevenissen-tjidengkamp-02

Omdat ik blijkbaar nogal klein was, siste mijn moeder tegen me, dat ik niet moest buigen. Ik kon daardoor tussen de vrouwen door kijken naar het tafereel dat zich voor ons afspeelde. Op een gegeven moment mochten we inrukken. Ik denk, dat ik door het kamp zwierf om veel dingen te ontdekken. In dat kamp werd ik op 10 juli 1945 7 jaar. Door de slechte voeding, of juist het gebrek eraan, vielen we in hoog tempo af. In zo’n kamp met 10.000 vrouwen en kinderen gebeurde altijd wel iets ongeregelds. Als er dan vrouwen de kampwet hadden overtreden, werd het hele kamp collectief gestraft. Waarschijnlijk was er dan weer iemand betrapt op het bilikken. Dat was het ruilen van goederen tegen voedsel door het gedek, de omheining van gevlochten bamboe om ons kamp heen.

We kregen dan een dag geen eten. Dat was echt een straf! Soms werden we op drie dagen stijfsel gezet. Het ging er grijs in en het kwam er ook weer grijs uit.
belevenissen-tjidengkamp-03Mijn dagelijkse uitje was het bijwonen van de uitvaart van de gestorvenen. Wij woonden pal achter het ziekenhuis. Achter in de muur van ons huis was een gat, waar door ik op het achterterrein van het ziekenhuis kwam. Het mortuarium lag aan de zijkant en links daarvan een overdekte galerij met doodskisten van gevlochten bamboe. Als ik door het gangetje liep kon ik altijd door de open deur van het mortuarium naar binnen kijken. Daar lagen de overledenen onder lakens te wachten op de uitvaart. Die was altijd ’s middags rond een uur of drie. Ik liep dan naar het voorplein en ging op het muurtje zitten om te kijken. Soms ging ik met mijn moeder mee op bezoek naar een vriendin, die ergens in een andere straat woonde. Veel activiteiten heb ik hier niet meegemaakt in dit kamp. Gelukkig duurde de periode in dit kamp tot 16 augustus, toen we werden bevrijd door Engelse en Australische(?) troepen. Deze soldaten brachten voor de uitgehongerde mensen blikken met groenten mee: worteltjes en doperwten en misschien ook nog wel andere groenten. Ik weet nog goed dat ze met jute zakken vol blikken binnenkwamen en deze aan het einde van onze straat uitstrooiden. Ik heb er twee weten te bemachtigen en mee naar huis genomen. Maar wat ze niet meebrachten waren blikopeners. Gelukkig had mijn moeder een Amerikaanse blikopener, die ik eens in Bandoeng in een leeg huis had gevonden, bewaard , want deze zou nog wel eens van pas kunnen komen. Ik denk dat de halve straat deze blikopener heeft gebruikt. We waren dan wel vrij, maar beslist niet veilig, want de Indonesische opstandelingen wilden alle blanda’s uit de weg ruimen. Zo werden de Japanse soldaten gebruikt om ons te beschermen. Ik weet nog dat ik samen met mijn moeder elke dag naar het huis van de kampcommandant ging om daar te kijken naar de lijst van levenden in de Birmese en Thaise kampen. En gelukkig, de naam van vader stond er nog steeds op. Op een nacht kreeg mijn moeder een bijzonder visioen: ze zag in een kort ogenblik mijn vader in de raamopening staan. Hij had zijn trouwpak aan en keek glimlachend naar mijn moeder. Toen wist ze dat hij was overleden. En de lijst bevestigde dat later. We hebben toen samen gehuild en stil op onze bultzak gezeten. Hij was overleden op 7 augustus 1945 in Nakom Patom in Thailand en ligt begraven op de erebegraafplaats Kanchanaburi. Eens was er een vuurgevecht tussen Japanners en Indische opstandelingen aan het einde van onze straat. Ik mocht natuurlijk de straat niet op om te kijken. Veel te gevaarlijk. Maar de volgende dag waren er wel twee begrafenissen. Er waren heel wat soldaten gesneuveld in de strijd. Eens verloor een vrachtwagen twee zakken met suiker. De kinderen waren er als de kippen bij om de suiker met handen vol naar binnen te werken. In dit kamp kreeg ik last van mijn gebit. Er was geen medische verzorging en toen er na de capitulatie wel een tandarts was en ik daar naar toe moest, hebben ze daar een kies getrokken zonder verdoving. Geen wonder dat ik later panisch was voor de tandarts. Gelukkig is dat ook weer overgegaan en mag ik me verheugen in een goed gebit.

Mijn tante (vrouw van een broer van vader) woonde in de grote zijkamer van ons huis met haar zoon. Toen de oorlog voorbij was en mijn oom terugkeerde uit Australië, haalde hij tante en zoonlief uit het kamp en zij kregen een onderdak in een bijgebouw van Hotel Des Indes in Batavia. We gingen er zo nu en dan wel eens naartoe. We moesten lopen over de brug en dan door een lange laan met bomen. Bij mijn tante waren in de buurt apen, kan ik me nog herinneren. Soms ging ik wel eens op pad met Louis Gabriëlse. Hij was in het leger, want op een dag nam hij me mee naar een huis buiten het kamp en liet me daar de geweren zien, die daar in rekken stonden. Voor een jongen was dat reuze interessant. Op 5 december werden we geëvacueerd naar Singapore met een vrachtschip. Ik weet nog dat we in het ruim in hangmatten lagen. Met de Nieuw Amsterdam voeren we naar Port Said, waar we winterkleding kregen voor onze reis naar Nederland. In Southampton stapten we over op een Engelse passagiersboot, die ons op 7 januari 1946 afzette in Amsterdam. Hartje winter en IJSKOUD!

Jelle Cornelis Terluin

Tekening appèl uit: Vrouwenkamp op Java op blz. 31 (tekening van Kick Hofer)

De twee gekleurde tekeningen zijn van Marie Gabriëlse.

Lees hier de pdf versie van ‘Mijn belevenissen in het Tjidengkamp’

1 Reactie

  1. Omdat mijn ouders nooit over het kampleven verteld hebben was het voor mij ontzettend interessant om bovenstaand artikel te lezen. Mijn vader was Louis Gabriëlse en mijn tante Mary (niet Marie) kon en kan nog steeds goed tekenen. Zij is nu in de 90 en woont in Zuid-Afrika.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*